btw tarief 6% of 21%?
Question
Geachte
Wij zijn een opstartend bedrijf met volgende activiteiten: leveren en plaatsen van afsluitingen en poorten, opritten, terrassen, tuinaanleg en -onderhoud, carports en tuinhuizen.
Nu zijn er nogal wat verschillende regels omtrent de btw.
Blijkbaar zijn afsluitingen steeds 21% en kunnen die nooit onder de 6% regel vallen. Is dit correct? Waarschijnlijk vallen poorten dus ook ALTIJD onder die regel.
Opritten zijn blijkbaar al terug een twijfelgeval, het hangt er dus vanaf van waar tot waar de oprit gelegen is en waarschijnlijk is dit dezelfde regel voor terrassen?
Tuinaanleg en -onderhoud zal hoogstwaarschijnlijk ook ALTIJD 21% zijn of zijn hierbij ook uitzonderingen die onder 6% vallen?
Carports die waarschijnlijk volledig aan het huis zijn bevestigd, zullen waarschijnlijk ook 6% kunnen zijn.
Tuinhuizen waarschijnlijk terug altijd 21%.
Kan u ons hierover meer info verschaffen? De regels zijn niet duidelijk en voor ons is het uiteindelijk ook altijd maar gissen of opzoeken en soms zijn we nog geen stap verder.
En wat indien er een factuur moet opgemaakt worden waaronder sommige werken onder 6% vallen en sommige onder 21% vallen? Dienen wij de factuur te splitsen en 2 verschillende facturen op te maken (zoals 1x het gedeelte aan 6% en 1x het gedeelte aan 21%)?
Alvast bedankt en vriendelijke groeten,
Antwoord
Geachte
we zullen de beginsels geven
- tuinaanleg en -onderhoud: 21%
- bomen: zie het antwoord van de Minister van Financiën aan een parlementaire vraag:
"
Vraag :
Kan uw bestuur meedelen welke BTW-tarieven van toepassing zijn op volgende activiteiten:
1. het vellen en afvoeren van bomen, gelijkgesteld met landbouwarbeid;
2. het vellen van bomen op stam in een tuin of een park, teneinde tot volgende afgewerkte producten te komen: onbewerkt hout, brandhout, houtafval;
3. het vellen gevolgd door het vierkanten en het zagen (afgewerkt product = planken);
4. het snoeien en onderhouden van bomen (geen afgewerkte producten);
5. de verkoop van bomen op stam, onbewerkt hout, brandhout en houtafval;
6. de verkoop van gevierkant en gezaagd hout ?
7. als het vellen een bijkomstige activiteit is in het kader van een tuinonderhoud, geldt dan het BTW-tarief van 21 % of kan een en ander worden opgesplitst met toepassing van twee verschillende BTW-tarieven ?
Antwoord :
De verkoop van hout op stam, onbewerkt hout, brandhout en houtafval is onderworpen aan het BTW-tarief van 6 % overeenkomstig rubriek VII, cijfer 12, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
Anderzijds zijn vierkant behakt hout en gezaagd hout onderworpen aan het normale BTW-tarief, dat thans 21 % bedraagt.
Voor de regeling inzake BTW-tarieven die van toepassing is ten aanzien van de verschillende handelingen die worden beoogd in de vraag van het geachte lid, moet vooreerst een onderscheid worden gemaakt naargelang die prestaties al dan niet in het kader van een landbouwdienst worden verricht.
1. Handelingen verricht in het kader van een landbouwdienst
Diensten, andere dan tuinwerkzaamheden, die bijdragen tot de voortbrengst van landbouw- of bosbouwproducten, zijn als landbouwdiensten onderworpen aan het BTW-tarief van 6 % overeenkomstig rubriek XXIV van tabel A van de bijlage bij het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970.
Om te kunnen worden aangemerkt als landbouwdiensten die onderworpen zijn aan het BTW-tarief van 6%, moeten de verstrekte handelingen volgens hun aard behoren tot de normale bedrijvigheid van land- of bosbouwers en moeten ze daarenboven bijdragen tot de voortbrengst van landbouwproducten.
In dat verband mag er worden van uitgegaan dat alle aanplant van een boomgaard of van een bos in de eigenlijke betekenis van het woord (het mag dus niet gaan om een tuin of park) deel uitmaken van een landbouw- of bosbouwonderneming, zelfs wanneer die toebehoort aan een particulier.
Onder voormelde voorwaarden worden inzonderheid aangemerkt als landbouwdiensten:
- het snoeien van bomen, struiken en planten;
- het vellen van bomen; het rooien van stronken;
- het houtafval afkomstig van het vellen, ter plaatse op het bosbouwbedrijf verbranden, verkleinen en hakselen;
- het verzagen van stammen tot brandhout (het verzagen tot planken, latten, kepers, piketten, palen, enz., is daarentegen onderworpen aan het normale BTW-tarief aangezien de verkregen goederen geen landbouwproducten meer zijn);
- het wegslepen van de gevelde bomen, dat wil zeggen het wegvoeren van de bomen van de plaats waar ze werden geveld tot aan de rand van de weg.
Tot al wat kan dienen wordt eraan herinnerd dat de goederen die ter gelegenheid van landbouwdiensten worden geleverd, worden belast tegen het tarief dat erop van toepassing zou geweest zijn waren ze afzonderlijk geleverd.
2. Handelingen andere dan landbouwdiensten
Het vellen van bomen is een werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, van het BTWWetboek. Die handeling is in de regel onderworpen aan het normale BTW-tarief, dat thans 21 % bedraagt.
De administratie heeft echter inzake de BTW-tarieven ten aanzien van het vellen van bomen steeds de toepassing aanvaard van artikel 38, § 4, van het BTW-Wetboek, dat bepaalt dat iedere handeling die bijdraagt tot het vervaardigen, het bouwen, het monteren of het omvormen van een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed, aan de belasting is onderworpen naar het tarief dat geldt voor het goed beschouwd in de staat waarin het verkeert na de uitvoering van de handeling.
Bijgevolg is het vellen van bomen, voor zover die bomen niet ter plaatse worden vernietigd (door verbranden, hakselen, enz.) onderworpen aan het BTW-tarief van 6 % aangezien onbewerkt hout onderworpen is aan dat tarief. In dezelfde gedachtengang is het verlaagd tarief van toepassing ten aanzien van de handeling bestaande in het vellen en brandhout maken van bomen, aangezien brandhout eveneens onderworpen is aan het verlaagd BTW-tarief van 6 % op grond van rubriek VII, cijfer 12, van tabel A van de bijlage bij het genoemde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970.
Wanneer daarentegen de gevelde boom ter plaatse wordt vernietigd of wanneer het contract zowel het vellen als vierkant behakken of verzagen tot planken, latten, kepers of piketten, tot voorwerp heeft, is het geheel van die handelingen onderworpen aan het normale BTW-tarief van 21 % aangezien de goederen die tot stand zijn gekomen door die handelingen, ook onderworpen zijn aan dat tarief.
Wanneer overigens in uitvoering van één contract, de handelingen als bedoeld in de vorige twee paragrafen gepaard gaan met snoeien, rooien van de stronken en wegslepen van het hout, wordt het BTW-tarief dat van toepassing is ten aanzien van het gedeelte van de prijs dat betrekking heeft op laatstgenoemde handelingen, bepaald overeenkomstig het hiervoor gemaakte onderscheid.
In elke veronderstelling moeten het snoeien, rooien van de stronken en wegslepen van het hout belast worden tegen hun eigen BTW-tarief, zijnde 21 %, wanneer ze verricht worden los van het contract betreffende het vellen of wanneer ze worden aangerekend door een andere persoon dan degene die de boom heeft geveld.
Dit tarief van 21 % is ook van toepassing ten aanzien van het onderhoud van bomen en tuinen. Wanneer in uitvoering van een globaal contract dat het geregeld onderhoud van een tuin tot voorwerp heeft, de dienstverrichter bij gelegenheid en zonder prijssupplement een boom velt (gevallen of beschadigd ingevolge stormweer bijvoorbeeld) moet het tarief van 21 % eenvormig worden toegepast ten aanzien van de globale gevraagde prijs. Wanneer een prijssupplement wordt aangerekend voor het vellen van de boom, moet het toepasselijke BTW-tarief worden bepaald overeenkomstig het onderscheid gegeven in het derde en vierde lid van onderhavig punt 2.
In de veronderstelling dat handelingen die aan verschillende tarieven zijn onderworpen, in rekening worden gebracht op hetzelfde document, is de dienstverrichter gehouden de factuur te splitsen voor de heffing van de belasting. Indien die splitsing niet gebeurt, is de heffing slechts regelmatig indien de enige prijs wordt belast tegen het tarief dat van toepassing is ten aanzien van de dienst die onderworpen is aan het hoogste tarief (in casu 21 % )."
- parkings en andere:
Hier heb je een typisch voorbeeld die de beperking van de wettelijke definitie aantoont : naast een privé-woning worden grondwerken uitgevoerd om er voertuigen op te kunnen laten staan, en boven een deel van deze zone wordt een dak geplaatst dat verbonden is met de woning en waaronder één of twee voertuigen kunnen staan.
Indien wij verwijzen naar tabel A van bovenvermeld artikel, dan is er eigenlijk geen sprake van een woning.. Door « de bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen» uit te sluiten, opent dezelfde wettekst de deur voor een tamelijk ruime interpretatie van het begrip woning.
Dit is de reden waarom de administratie in een circulaire van 1986, vermeld in bovenvermeld artikel, één en ander heeft willen verduidelijken om te bepalen wat wel en wat niet onder het 6% tarief valt.
Om ons praktijkgeval op te lossen moeten we dus naar deze circulaire teruggrijpen.
Volgens de administratie, is een garage geen woning, maar wanneer zij geïntegreerd is in een woning of wanneer, zelfs indien ze er niet aan grenst, ze deel uitmaakt van de woning door het onmiddellijke nut dat ze voor de eigenaar (of zijn huurder) meebrengt, dan wordt het 6% tarief toegelaten.
Eerste goede nieuws : het overdekt gedeelte van de zone voor de voertuigen in ons voorbeeld kan van het 6% tarief genieten.
Maar wat met het niet-overdekt gedeelte, dat dienst doet als wat men gewoonlijk ‘parking’ noemt ?
Aangezien de circulaire daar niet over spreekt heeft de administratie, in een beslissing van 1996, haar standpunt verduidelijkt. De terrassen aangelegd op het perceel van een gebouw(encomplex) worden slechts beschouwd als deel uitmakend van de woning wanneer ze grenzen aan een gebouw dat bestemd is om te worden bewoond. Een terras dat gelegen is in de tuin of dat grenst aan een niet voor bewoning bestemd gebouw (bv. tuinhuisje of afzonderlijk garagegebouw) is steeds onderworpen aan het normale BTW-tarief van 21 %. Aangezien een parking niet beantwoordt aan het begrip "terras", zelfs wanneer het aan de woning grenst, is een parking steeds onderworpen aan het tarief van 21%.
Terug naar ons voorbeeld : voor de grondwerken voor de staanplaatsen van voertuigen werd een globale factuur opgemaakt, waarbij de geregistreerde aannemer het tarief van 6% heeft toegepast. De administratie voert een contrôle uit en stelt vast dat het overdekt gedeelte, dat aan de woning grenst, 40% van de totale oppervlakte van de grondwerken uitmaakt.
Daarom zal zij ook de toepasising kunnen vragen van het tarief van 21% op 60% van de factuur. Maar er blijft een laatste vraag die moet opgelost worden : de btw-plichtige is de geregistreerde aannemer en niet de particulier die de grondwerken heeft laten uitvoeren.
In een antwoord op een parlementaire vraag van 24.10.1986 heeft de minister van financiën aangegeven dat « in tegenstelling tot bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en de oprichting van afsluitingen wordt de aanleg van toegangswegen en buitenterrassen beschouwd als een verbetering aan de woning waarbij zij samenhoren».
Dat lijkt er veel op een kakofonie : de wettekst is niet duidelijk, en de administratieve interpretaties zijn contradictorisch.
Wat moet u doen wanneer de btw-administratie u confronteert met een verhoging van het tarief ?
Duw haar de verwijzingen naar bovenvermelde administratieve teksten, die voor u gunstig zijn, onder de neus. Zij zal u dan een naheffingsopgave moeten toezenden waarin zij haar standpunt zal moeten verantwoorden en onderbouwen. U zal dan zelf beoordelen of het bedrag van het geschil de moeite waard is om beroep te doen op een advocaat in fiscale zaken om uw belangen te verdedigen.
voor meer info, zie uw boekhouder
met vriendelijke groeten
Yourtax